Spelregelvragen SAO Apeldoorn ronde 13

Spelregels SAO

Donderdag 9 januari stond de dertiende ronde van de interne spelregelcompetitie op het programma. Bekijk hier de vijf spelregelvragen en de antwoorden.

Vraag 1
Een aanvaller ontvangt de bal uit een scheidsrechtersbal en dribbelt naar voren, waarna hij op doel schiet. De doelverdediger probeert het schot te stoppen, maar de bal glijdt door zijn handen en verdwijnt toch in het doel. Hoe moet de scheidsrechter het spel nu laten hervatten?
A. Scheidsrechtersbal
B. Indirecte vrije schop voor de tegenpartij op de plaats waar de aanvaller de bal voor de tweede maal raakte.
C. Aftrap na geldig doelpunt
D. Hoekschop

Vraag 2
Nadat vlak voor de doellijn de bal met de voet is tegengehouden door een verdediger, wordt de bal door zijn doelverdediger opgeraapt. Wat beslist de scheidsrechter?
A. Strafschop
B. Doorspelen
C. Indirecte vrije schop
D. Scheidsrechtersbal 

Vraag 3
Een directe vrije schop, even buiten het strafschopgebied in het voordeel van de verdedigende partij, wordt teruggeplaatst op de doelverdediger. De scheidsrechter staat in de baan van het schot, waardoor de bal van richting verandert en in het doel verdwijnt, zonder dat iemand anders de bal raakt. Wat beslist de scheidsrechter?
A. Aftrap na geldig doelpunt
B. Scheidsrechtersbal
C. Vrije schop overnemen
D. Hoekschop

Vraag 4
Een doelverdediger ontneemt een aanvaller van de tegenpartij door een overtreding een duidelijke scoringskans, maar de bal komt bij een medespeler van de aanvaller terecht die een duidelijke scoringspositie behoudt. De scheidsrechter past voordeel toe, maar de bal wordt naast geschoten. Wat is de beslissing van de scheidsrechter?
A. Strafschop en een gele kaart voor de doelverdediger.
B. Strafschop en een rode kaart voor de doelverdediger.
C. Doelschop en een gele kaart voor de doelverdediger.
D. Doelschop en een rode kaart voor de doelverdediger.

Vraag 5
Er wordt een indirecte vrije trap genomen. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?
Hieronder 5 antwoordmogelijkheden. Welke 2 zijn juist?
A. Alle speler behalve de nemer moeten op 9.15 mtr van de bal zijn.
B. Er mag pas gespeeld worden na een fluitsignaal.
C. De scheidsrechter moet een arm in de lucht steken.
D. De bal is in het spel zodra deze is getrapt en beweegt.
E. De bal mag niet achteruit worden gespeeld.

 

 

 

Antwoorden:

1

2

3

4

5

C

B

B

C

C

D