Spelregelvragen SAO Apeldoorn ronde 18

Donderdag 21 maart stond de achttiende ronde van de interne spelregelcompetitie op het programma. Bekijk hier de vijf spelregelvragen en de antwoorden.

Vraag 1
Een medespeler van de strafschopnemer loopt te vroeg toe. Een andere medespeler, die niet te vroeg is toegelopen, ontvangt nu de bal die door de nemer tegen de doelpaal is geschoten en scoort. De scheidsrechter moet nu:
A. Een doelpunt toekennen, maar de overtreder een waarschuwing geven door het tonen van de gele kaart wegens onsportief gedrag.
B. De strafschop laten overnemen en de te vroeg toegelopen speler waarschuwen door het tonen van de gele kaart wegens onsportief gedrag.
C. Een doelschop toekennen en een waarschuwing aan de overtreder door het tonen van de gele kaart wegens onsportief gedrag.
D. Een indirecte vrije schop toekennen aan de verdedigende partij op de plaats van de overtreding.

Vraag 2
Op het moment dat de bal de grond raakt bij een scheidsrechtersbal, trapt een speler de bal rechtstreeks in eigen doel. Hoe moet het spel verder?
A. Doelpunt
B. Scheidsrechtersbal opnieuw nemen.
C. Indirecte vrije trap voor de aanvallende partij.
D. Hoekschop

Vraag 3
Bij een doelschop wordt de bal doelbewust door een verdediger naar zijn doelverdediger geschoten, die zich buiten het strafschopgebied bevindt. Deze dribbelt met de bal het strafschopgebied binnen en neemt vervolgens de bal in zijn handen en trapt deze ver naar voren. Wat zal de scheidsrechter beslissen?
A. Hij laat gewoon doorspelen.
B. Hij onderbreekt het spel en laat de doelschop overnemen.
C. Hij onderbreekt het spel en hervat met een indirecte vrije schop op de plaats waar de doelverdediger de bal met zijn handen aanraakte.
D. Hij onderbreekt het spel en hervat met een indirecte vrije schop buiten het strafschopgebied.

Vraag 4
Een doelverdediger, staande binnen zijn eigen strafschopgebied maar buiten het doelgebied, slaat de bal over de doellijn. Deze bal is hem door een medespeler doelbewust met de voet toegespeeld. Wat beslist de scheidsrechter?
A. Hij kent een indirecte vrije schop toe aan de aanvallende partij op de plaats waar de doelverdediger de bal raakte.
B. Hij kent een doelpunt toe of hervat het spel met een indirecte vrije schop.
C. Hij kent een hoekschop toe.
D. Hij kent een doelschop toe.

Vraag 5 (open vraag)
In welke situaties moet de scheidsrechter een fluitsignaal gebruiken?

Antwoorden:

1

2

3

4

D

D

C

B

Vraag 5: In welke situaties moet de scheidsrechter een fluitsignaal gebruiken?

Antwoorden:

a. om te laten aftrappen (1e en 2e helft, verlenging en na een doelpunt)
b. om het spel te onderbreken:

  • voor een vrije schop of strafschop
  • als de wedstrijd wordt gestaakt of wordt afgelast
  • aan het einde van elke speelhelft

c. voor het hervatten van het spel:

  • bij vrije schoppen als de muur op de vereiste afstand moet worden gezet
  • bij strafschoppen

d. voor het hervatten van het spel na een spelonderbreking wegens:

  • een waarschuwing of veldverwijdering
  • een blessure
  • een spelerswissel