Spelregelvragen SAO Apeldoorn ronde 23

Spelregels SAO

Donderdag 9 mei stond de 23e ronde van de interne spelregelcompetitie op het programma. Bekijk hier de vijf spelregelvragen en de antwoorden.

Vraag 1
De verdedigende partij mag in het eigen strafschopgebied een vrije schop nemen. De doelverdediger plaatst de bal naar een medespeler, die de bal terugspeelt naar de doelverdediger. Wat beslist de scheidsrechter?
A. Altijd door laten spelen.
B. Alleen door laten spelen als de bal rechtstreeks buiten het strafschopgebied is geplaatst en de doelverdediger de bal niet met zijn handen aanraakt.
C. Vrije schop laten overnemen.
D. Indirecte vrije schop voor de aanvallende partij op de plaats waar de bal het strafschopgebied verliet.

Vraag 2
Als bij een doelschop de bal nog niet buiten het strafschopgebied is, loopt een aanvaller de bal (binnen dit gebied) tegemoet. Een verdediger loopt met hem mee en geeft hem een schouderduw, terwijl de bal nog niet binnen speelbereik is. De scheidsrechter fluit af. Hoe hervat hij het spel?
A. Hij laat de doelschop overnemen.
B. Hij geeft een indirecte vrije schop tegen de aanvaller, omdat hij te vroeg het strafschopgebied betrad.
C. Hij geeft een indirecte vrije schop tegen de verdediger, omdat hij een tegenstander reglementair aanviel zonder dat de bal binnen speelbereik was.
D. Hij geeft een scheidsrechtersbal, omdat beide overtredingen even zwaar zijn.

Vraag 3
Aanvaller A is op volle snelheid om de hem toegespeelde bal aan te nemen. Een verdediger vangt de snel lopende aanvaller A met de borst op. De scheidsrechter onderbreekt het spel hiervoor. Hoe zal het spel moeten worden hervat, nadat de scheidsrechter een disciplinaire maatregel heeft genomen?
A. Met een indirecte vrije schop.
B. Met een strafschop.
C. Met een directe vrije schop.
D. Met een directe vrije schop of strafschop.

Vraag 4
Twee tegenstanders raken slaags met elkaar net buiten de zijlijn. De scheidsrechter onderbreekt het spel. Hoe moet de scheidsrechter handelen?
A. De spelers worden van het speelveld gezonden door het tonen van de rode kaart en het spel wordt hervat met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal zich bevond, toen de scheidsrechter onderbrak.
B. De spelers worden van het speelveld gezonden door het tonen van de rode kaart en het spel wordt hervat met een scheidsrechtersbal op de zijlijn.
C. De spelers ontvangen een waarschuwing door het tonen van de gele kaart en het spel wordt hervat met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal zich bevond, toen de scheidsrechter onderbrak.
D. De spelers ontvangen een waarschuwing door het tonen van de gele kaart en het spel wordt hervat met een indirecte vrije schop voor de verdedigende partij op de zijlijn.

Vraag 5
Stelling 1: Als een bal die richting het doel gaat wordt geraakt door  iets van buitenaf wordt er altijd hervat met een scheidsrechtersbal.
Stelling 2: Als bij een inworp de bal voordat hij het veld inkomt eerst de grond raakt moet dezelfde partij opnieuw ingooien.
A. Alleen stelling 1 is goed.
B. Alleen stelling 2 is goed.
C. Beide stellingen zijn goed.
D. Beide stellingen zijn niet goed

Antwoorden: 

1

2

3

4

5

B

A

D

A

B