Spelregelvragen SAO Apeldoorn ronde 6

Spelregels SAO

Donderdag 24 oktober stond de zesde ronde van de interne spelregelcompetitie op het programma. Bekijk hier de vijf spelregelvragen en de antwoorden.

Vraag 1:
Een speler die behandeld is aan een blessure wacht aan de zijlijn op toestemming om het speelveld te betreden. Vanaf deze plek achter de zijlijn gooit hij een bidon naar een tegenstander die binnen het speelveld loopt. Wat moet de scheidsrechter beslissen als hij hiervoor het spel heeft onderbroken?
A. Hij toont de speler de rode kaart en laat het spel hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal het laatst geraakt werd.
B. Hij toont de speler de rode kaart en laat het spel hervatten met een indirecte vrije schop voor de tegenpartij op de plaats waar de bal was toen het spel werd onderbroken.
C. Hij toont de speler de rode kaart en laat het spel hervatten met een directe vrije schop voor de tegenpartij op de plaats waar de bidon de tegenstander raakte of geraakt zou hebben, of met een strafschop als dit binnen het strafschopgebied van de overtreder was.
D. Hij toont de speler de rode kaart en laat het spel hervatten met een indirecte vrije schop voor de tegenpartij op de zijlijn het dichtst gelegen bij de plaats waar de speler stond die gooide.

Vraag 2: 
De doelverdediger van partij A en een aanvaller hebben ruzie. Plotseling gooit de doelverdediger, staande in zijn eigen strafschopgebied, doch niet in het doelgebied, opzettelijk en met kracht de bal tegen het hoofd van de aanvaller aan, die één meter achter de doellijn naast het doel staat. De scheidsrechter stuurt de doelverdediger van het speelveld door het tonen van de rode kaart. Hoe wordt het spel hervat?
A. Strafschop.
B. Indirecte vrije schop voor de aanvallende partij op de plaats waar de doelverdediger stond, toen hij de bal gooide.
C. Hoekschop.
D. Scheidsrechtersbal op de plaats waar de doelverdediger stond, toen hij de bal gooide.

Vraag 3: 
Wanneer maakt een speler zich schuldig aan ernstig gemeen spel?
A. Indien hij zich buitensporig inzet of grof optreedt tegenover een medespeler, terwijl de bal in het spel is.
B. Indien hij zich buitensporig inzet of grof optreedt tegenover een tegenstander, bij een duel om de bal.
C. Indien hij zich schuldig maakt aan een gewelddadige handeling ten opzichte van een tegenstander als het spel ‘dood’ is.
D. Indien hij zich schuldig maakt aan een gewelddadige handeling ten opzichte van een official, terwijl de bal in het spel is en/of als het spel ‘dood’ is.

Vraag 4: 
De doelverdediger heeft de bal in zijn bezit. Wat hoort in het onderstaand rijtje niet thuis?
A. De bal met de voet naar de rand van het strafschopgebied spelen.
B. De bal stuit of in de lucht gooit.
C. De bal tussen een vinger en de grond vasthoudt.
D. De bal op de vlakke hand heeft liggen.

Vraag 5: 
De scheidsrechter fluit. Hij toont een speler de rode kaart en hervat met een indirecte vrije trap. Wanneer is dit correct?
Hieronder 5 antwoordmogelijkheden. Welke twee (!) zijn juist?
A. Speler beledigt een tegenstander.
B. Speler slaat een official.
C. Speler trapt een medespeler.
D. Speler gooit herhaaldelijk verkeerd in.
E. Speler voorkomt met en te hoog been een scoringskans zonder tegenstander te raken.

 

 

 

Antwoorden:

1

2

3

4

5

C

A

B

A

A

E