Hoofdstuk 3 ‘Handboek voor Scheidsrechters’ 1947

De SAO Apeldoorn publiceert delen uit de “Handleiding voor scheidsrechters” uit 1947. In dit artikel volgt hoofdstuk 3, dat gaat over de wijze van het geven van beslissingen. Veel leesplezier!

De wijze van het geven van beslissingen

Een scheidsrechter wordt niet alleen beoordeeld naar den aard van zijn beslissingen, doch ook naar de wijze, waarop hij deze geeft. Zooals elders wordt opgemerkt, komt het  vooral aan op de beslistheid in zijn optreden.

Men zou bijna kunnen zeggen dat een foutieve uitspraak op een gedecideerde wijze gegeven, eerder wordt vergeven, dan dat een goede, welke op weifelende manier wordt gedaan, waardeering zal ondervinden.

Deze beslistheid moet van natuurlijken aard en dus geen aangenomen houding zijn; zij moet door de spelers worden aangevoeld als de uiting van innerlijke overtuiging en vastbeslotenheid. De scheidsrechter vermijde in het algemeen ieder theatraal optreden of effectbejag. Ook in gevallen van twijfel moet zijn optreden beslist zijn. Al naar gelang van de omstandigheden raadplege hij den best geplaatsten grensrechter, houde zich aan den regel geen straf op te leggen, tenzij hij overtuigd is, dat een overtreding werd begaan of beslissen in het voordeel der verdedigende partij. 

Het middel, waarvan de scheidsrechter zich bedient om zijn beslissingen kenbaar te maken, is de fluit. Weliswaar wordt in de spelregels als regel in het midden gelaten, hoe de scheidsrechter zijn beslissingen zal kenbaar maken, doch het gebruik van een fluit is voor dit doel ingeburgerd.  Echter zijn er genoeg gevallen, waarbij de scheidsrechter met een eenvoudig gebaar van hand of hoofd kan volstaan, om te voldoen aan het voorschrift om een teeken te geven.

Wanneer moet nu de scheidsrechter een fluitsignaal geven? In het algemeen kan men zeggen, dat hij dit moet doen om het begin en het eind van iedere speelhelft aan te geven. verder voor alle tusschentijdsche stakingen, welke de scheidsrechter noodig acht (daaronder onder meer te verstaan het geven van vrije schoppen en strafschoppen voor overtredingen, het staken voor ernstige verwondingen, wegens weersomstandigheden of wegens overlast van het publiek en eventueel voor waarschuwingen).

In het algemeen volge men den regel het fluiten zooveel mogelijk te beperken, zolang de duidelijkheid van de rechtspraak daaronder niet lijdt. lndien gefloten wordt, moet het signaal voor iedereen duidelijk hoorbaar zijn en steeds van nagenoeg dezelfde geluidssterkte. Zacht fluiten, dus een onduidelijk signaal, wekt dikwijls den indruk van twijfel of aarzeling.

Te veel of te doordringend fluiten prikkelt daarentegen onnoodig spelers zoowel als publiek en maakt vaak den indruk, dat de scheidsrechter de aandacht te veel op zichzelf wil richten, wat niet bevorderlijk is voor zijn aanzien als leider van het spel, waarin toch de spelers de hoofdrollen vervullen.

Men moet niet kleingeestig zijn bij het toepassen van de spelregels in onbelangrijke spelvoorvallen. Of een vrije schop genomen wordt een meter te veel naar links of naar rechts, te veel vooruit of achteruit van de juiste plaats, speelt in het algemeen geen rol, behalve in het geval, dat door de aan- vallende partij een schop in de nabijheid van het doel wordt genomen. Rekening moet worden gehouden met de bepaling, dat niet moet worden gestraft, indien de overtredende partij daarvan voordeel zou trekken. Als een eenvoudig voorbeeld noemen wij, dat bij het nemen van een vrijen schop de tegenpartij zich op ten minste 9.15 m. van den bal moet bevinden. Indien zij zich daaraan niet houdt en dit niet hinderlijk is voor den nemer van den vrijen schop, laat dan den laatstgenoemden het voordeel om dezen zonder tijdverlies te nemen. 

 

De SAO publiceert, ter lering en vermaak, wekelijks een hoofdstuk uit deze Handleiding voor Scheidsrechters uit 1947.